Praktijkvraag

Laatste update: 22 december 2022

Door:


Onze gemeente is bezig met de voorbereiding van een besluit tot het verlenen van een revisievergunning aan een veehouderij. De uitbreiding van de vergunning betreft een kleine verandering ten opzichte van de eerder afgegeven vergunning, maar binnen een afstand van 500 meter zijn enkele mogelijke belanghebbenden woonachtig. Moeten wij toch een milieueffectrapportage opstellen?
Antwoord in het kort

Om te beoordelen of er een verplichting geldt tot het volgen van een milieueffectrapportage, dient met een aantal elementen rekening te worden gehouden. Zo is het veranderen van een veehouderij aangemerkt als een activiteit waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt wanneer aan de gestelde drempelwaarden is voldaan. Echter geldt in de situatie dat de activiteit onder de drempelwaarde blijft, dat de gemeente ook na moet gaan of er mogelijke nadelige milieugevolgen zijn. Dit dient te gebeuren aan de hand van een ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’. Dit is een uitwerking van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU.

Wat is een milieueffectrapportage?

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is een procedure die tot doel heeft om het milieubelang een volwaardige rol te laten spelen bij het voorbereiden en het vaststellen van plannen en besluiten. Plannen en besluiten van onder andere gemeenten over bepaalde initiatieven en activiteiten van partijen die een nadelig effect kunnen hebben op het milieu dienen onderworpen te worden aan een m.e.r.-procedure. In deze procedure worden de milieugevolgen van een initiatief of activiteit in kaart gebracht en wordt er gekeken naar alternatieven. Daarnaast wordt bepaald hoe negatieve gevolgen beperkt kunnen worden. Dit wordt uitgewerkt in een milieueffectrapport (MER). De verplichting tot het volgen van een m.e.r -procedure volgt uit twee Europese richtlijnen: Richtlijn 2014/52/EU (tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU) betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten en Richtlijn 2001/42/EG betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s. In Nederlandse wetgeving zijn deze Richtlijnen geïmplementeerd met de Wet milieubeheer (Wm). Ook is het Besluit milieueffectrapportage van belang. In het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd voor welke activiteiten, plannen en besluiten het verplicht is om een m.e.r.-procedure te volgen.

Wijzigen van een veehouderij

In de Bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage is in Onderdeel D, categorie 14 “de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren” als activiteit benoemd. Wanneer er wordt voldaan aan de drempelwaarden (kolom 2) die voor deze activiteit gesteld zijn, dan geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht: er moet beoordeeld worden of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen bij deze activiteit. Kan dit niet uitgesloten worden? Dan geldt er een m.e.r.-plicht. Kunnen deze nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden? Dan is een m.e.r. niet nodig.

Drempelwaarden

De drempelwaarden zijn echter indicatief, dat betekent dat ook voor een activiteit die onder de drempelwaarden valt, nagegaan moet worden of er sprake kan zijn van mogelijke nadelige milieugevolgen. Dit kan worden nagegaan via de ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’. Deze praktijk is een uitwerking van het arrest van het Hof van Justitie van de EU uit oktober 2009 (C-255/08). Deze beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van de criteria uit bijlage III van Richtlijn 2014/52/EU (r.o. 33 en 34):

  • de kenmerken van het project (omvang van het project, de cumulatie met andere projecten, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder alsmede het risico van ongevallen);
  • de locatie van het project, zodat rekening wordt gehouden met de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de geografische gebieden waarop het project van invloed kan zijn (door in overweging nemen van, in het bijzonder, het bestaande grondgebruik en het opnamevermogen van het natuurlijke milieu);
  • de soort en kenmerken van het potentiële effect (met name met betrekking tot het geografisch gebied en grootte van de bevolking).

Bij de uitbreiding van een veehouderij in de omgeving van een woongebied kunnen belanghebbenden zich rechtstreeks beroepen op deze criteria. Ook bij een kleinschalige verandering geldt dat niet alleen de omvang van de uitbreiding van belang is, er dient naar alle bovenstaande criteria te worden gekeken.

Meer informatie:

Meer weten over dit onderwerp?

Werkt u voor een decentrale overheid of het Rijk en hebt u een vraag over dit onderwerp? Neem dan contact op met de helpdesk van Europa decentraal:

STEL UW VRAAG