Europese rechtspraak

Laatste update: 3 november 2022

Door:


1. Introductie

Op 30 januari 2018 deed het Europese Hof van Justitie, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak in twee Nederlandse zaken. Deze langverwachte uitspraak is van belang voor decentrale overheden, omdat het Hof duidelijkheid verschaft over de werkingssfeer van Richtlijn 2006/123 (hierna: de Dienstenrichtlijn). Uit de zaak X, een van de twee gevoegde zaken, blijkt dat het heffen van leges voor de aanleg van een glasvezelnetwerk door de gemeente Amersfoort niet onder de Dienstenrichtlijn valt. De andere zaak (Visser Vastgoed Beleggingen) wordt in een afzonderlijk EUrrest besproken. 

2. Zaak

HvJ EU 30 januari 2018, C-360/15, ECLI:EU:C:2018:44 (X).

3. Beleidsdossiers en thematiek

Dienstenrichtlijn

Digitale Overheid

4. Samenvatting feiten

De onderneming X BV (hierna: X) heeft de opdracht gekregen een glasvezelnetwerk aan te leggen in de gemeente Amersfoort. Op grond van de Telecommunicatiewet heeft X het recht om kabels aan te leggen op het grondgebied van de gemeente. Voor de bijbehorende werkzaamheden verzoekt X het college van B&W om instemming omtrent de plaats, het tijdstip en de wijze van uitvoering daarvan. De gemeente vraagt daarvoor € 149.949,- aan leges (administratieve vergoedingen voor overheidswerkzaamheden) op grond van de Gemeentewet en de eigen Verordening leges 2010. X gaat hiertegen in beroep. De zaak komt via het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden terecht bij de Hoge Raad die vervolgens prejudiciële vragen voorlegt aan het Europese Hof van Justitie. Het gerechtshof, tegen wiens uitspraak door het college van B&W cassatie is ingesteld, wordt verweten de Dienstenrichtlijn niet in de beschouwing te hebben betrokken. De Hoge Raad betwijfelt echter of de inning van de leges in dit geding binnen de werkingssfeer van de Dienstenrichtlijn valt.

5. Rechtsvraag

Is de Dienstenrichtlijn van toepassing op leges die verschuldigd worden in verband met de rechten van aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken om kabels voor een glasvezelnetwerk aan te leggen?

6. Samenvatting uitspraak

Het Hof stelt vast dat in art. 2 lid 3 Dienstenrichtlijn staat dat de richtlijn niet van toepassing is op het gebied van belastingen. Verder staat in art. 2 lid 2 sub c dat de richtlijn niet van toepassing is op elektronische-communicatiediensten en -netwerken en bijbehorende faciliteiten en diensten, wat de aangelegenheden betreft die vallen onder Richtlijn 2002/21 (hierna: de Kaderrichtlijn) en Richtlijn 2002/20 (hierna: de Machtigingsrichtlijn).

De Hoge Raad gaat er vanuit dat het geding tussen het college van B&W en X niet valt onder de Machtigingsrichtlijn en dat daarmee ook de bovengenoemde uitsluiting van art. 2 lid 3 Dienstenrichtlijn niet van toepassing is. Volgens de Hoge Raad gaat het bij de in art. 12 Machtigingsrichtlijn bedoelde administratieve bijdragen namelijk alleen om bijdragen die zijn opgelegd door een nationale regelgevende instantie (NRI) in de zin van de Kaderrichtlijn en de Machtigingsrichtlijn. De gemeente Amersfoort is nooit als zodanig aangewezen.

Administratieve bijdragen mogen volgens art. 12 lid 1 sub a Machtigingsrichtlijn uitsluitend bestemd zijn om administratiekosten te dekken die samenhangen met activiteiten die in dit artikel worden genoemd. De leges die de gemeente Amersfoort heeft gevorderd hangen volgens het Hof niet samen met dergelijke activiteiten. Echter, ook op grond van art. 13 Machtigingsrichtlijn kunnen financiële lasten aan aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken worden opgelegd. Het Hof oordeelt dat de bestreden leges verschuldigd worden in verband met het recht van X om ‘faciliteiten’ te installeren in de zin van art. 13 Machtigingsrichtlijn. De in art. 13 Machtigingsrichtlijn bedoelde ‘bevoegde autoriteit’ (die de mogelijkheid heeft om vergoedingen te verlangen) beperkt zich niet tot de NRI en dus kan er aan dit artikel worden getoetst.

Volgens vaste rechtspraak kunnen er alleen heffingen of vergoedingen voor de levering van elektronische communicatienetwerken en -diensten worden opgelegd als de Machtigingsrichtlijn daarin voorziet, dus moet aan de hand van de Machtigingsrichtlijn worden bepaald welke financiële lasten al dan niet kunnen worden opgelegd. Daarom concludeert het Hof dat de Dienstenrichtlijn niet van toepassing is op leges die verschuldigd worden in verband met de rechten van aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken om kabels voor een glasvezelnetwerk aan te leggen.

7. Decentrale relevantie

De hierboven besproken uitspraak van het Europese Hof van Justitie is relevant voor decentrale overheden. Op grond van de Gemeentewet mogen gemeenten leges heffen voor aanvragen om instemming zoals bedoeld in art. 5.4 Telecommunicatiewet (plaats, tijdstip en de wijze van uitvoering van werkzaamheden in verband met de aanleg van een openbaar elektronisch communicatienetwerk). Het Hof heeft nu duidelijk gemaakt dat art. 13 Machtigingsrichtlijn op deze situatie van toepassing is. De vereisten van deze bepaling bieden gemeenten meer ruimte dan art. 12 Machtigingsrichtlijn. Deze laatste stelt een limiet aan de hoogte van de leges. Verwacht wordt dat de Hoge Raad in zijn einduitspraak de uitspraak van het Hof zal volgen. Hoe in het concrete geval getoetst moet worden zal dan waarschijnlijk duidelijk worden.

Door:

Chris Koedooder, Europa decentraal

Meer informatie:

Dienstenrichtlijn, Europa decentraal
Digitale Overeid, Europa decentraal
Richtlijn 2006/123 betreffende diensten op de interne markt